Archive for april, 2009
We the People of Europe
De belangrijkste reden voor mij om in 2005 tegen het “grondwettelijk” verdrag van de Europese Unie te stemmen, waren de eerste drie woorden van dit verdrag: “Ik de (president/koning/koningin)* …”
(* Doorhalen wat niet van toepassing is).
Ter vergelijking de eerste drie woorden uit de Amerikaanse grondwet van 1793: “We the people …”.
Aan de andere kant worden wij in een vrije economische markt beter door de Europese Unie beschermd dan door onze eigen regering: “(…) de grondrechten in de Nederlandse grondwet (snijden) minder hout dan de mensenrechten in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.” (*)
Zo paradoxaal kan de Europese samenwerking zijn.
Over het Franse ‘nee’ in 2005 bestaan ook nogal de nodige misverstanden. De verschillen met Nederland konden niet groter zijn. In de aanloop naar het referendum zijn in Frankrijk meer dan 200 afdelingen opgezet van een organisatie die zich Attac noemt. Attac was en is een niet aan een politieke partij gebonden organisatie die zich inzet voor een betere Europese Unie. Ze zijn dus niet tegen de Europese Unie. Integendeel.
Ze zijn wel tegen het Europa van de elites. Door diepgaand onderzoek achterhalen zij hoe deze elites er alles aan proberen te doen om geld, macht en roem te vergaren over de rug van de Europese burgers.
Het mooiste voorbeeld vind ik nog steeds de overname door de Europese Commissie van de IASB-accountancy standaard voor in Europa gevestigde beursgenoteerde bedrijven. Dit besluit is genomen zonder enige democratische toets. In principe is een wereldwijde standaard voor financiële verantwoording natuurlijk alleen maar te waarderen. Maar niet als blijkt dat daar een prachtige ‘ontsnappingsclausule’ in zit die het grote grensoverschrijdende bedrijven mogelijk maakt om hun geld zo over de hele wereld heen te schuiven dat ze geen belasting hoeven af te dragen in het land waar ze hun geld verdienen. (**)
Het is dus van groot belang op 4 juni 2009 op een politieke partij te stemmen die én kritisch is op het Europa van de elites, én er hard aan werkt om er een democratisch en sociaal Europa van te maken. Mensen die er zin in hebben, kunnen op 18 mei van 20.00 tot 22.30 uur met Frans Timmermans in het Mezzcafé over Europa in gesprek.
(*) Bruinsma, F. (2008). De stille macht. De rechtspolitiek van het Europese Hof van Justitie, in: Het ongemak over Europa. WBS Jaarboek 2008. Amsterdam: WBS, p. 57-71.
(**) George, S. (2008). We the peoples of Europe. London: Pluto Press.
Varkensgriep: In Government we Trust
Voor een goede vriend van mij heb ik laatst de belangrijkste risico’s voor voedselveiligheid nog eens op een rij gezet. Daar moet ik steeds weer aan denken nu de varkensgriep langzaam uitgroeit tot een pandemie.
Ook al denken we dat we in een tijd van hyper-individualisme leven, de meeste mensen verlaten zich bij voedselveiligheid toch op de overheid. Waarmee het onderwerp een uitermate gevoelige politieke kwestie is geworden. Net als gezondheid.
Bij voedselveiligheid is het menselijk tekort de belangrijkste risicofactor. In het geval van de varkensgriep waarschijnlijk ook. Zouden we immers geen varkensvlees eten, dan zouden er niet zoveel varkens zijn en zou er waarschijnlijk ook geen varkensgriep zijn. Griep en de snelle verspreiding daarvan zijn typisch verschijnselen van “overcrowding & overbreeding”. Teveel dieren en mensen op te weinig vierkante meters. In Mexicostad wonen 20 miljoen mensen. Het zou me niet verbazen als in en in de omgeving van de stad even veel varkens leven. In hoeverre onhygiënisch gedrag hier een rol bij speelt, kan ik niet overzien.
De menselijke reactie op de uitbraak van dit griepje is ook een analyse waard. We denken al snel dat met genoeg geld en met de juiste regels (thuis blijven?) en de juiste technologie (mondkapjes?) alles wel in orde komt. In dat perspectief is het interessant na te gaan hoe nu deze “nieuwe” griepvariant is ontstaan. Natuurlijk is het mogelijk dat varkens het oorspronkelijke virus genetisch hebben gemanipuleerd.
Dit is geen grap. Dieren, planten en mensen zijn in staat om door natuurlijke selectie genen te manipuleren. Dan gaat het in eerste instantie wel om de eigen genen. Als die genen hard genoeg werken, kunnen ze dan ook virussen manipuleren?
Afijn, laten we maar ervan uitgaan dat dit zo is. Het alternatief dat ik vanavond hoorde van een “proto-deskundige” klinkt namelijk nog onwaarschijnlijker. Hij beweerde dat het nieuwe virus uit een laboratorium van een Mexicaans farmaceutisch bedrijf is ontsnapt. Zijn redenering was dat farmaceutische bedrijven met genetische manipulatie in hun laboratoria regelmatig nieuwe griepvirussen “bouwen” om vervolgens daar nieuwe medicijnen voor te kunnen ontwikkelen. In beginsel, zegt hij, met de beste bedoelingen. Zo zouden ter bestrijding van eventuele toekomstige nieuwe virussen al voldoende vaccins kunnen worden geproduceerd. En er waait natuurlijk wel eens wat het laboratorium uit. Of een boer neemt per ongeluk het verkeerde varkentje mee terug naar huis nadat het voor een laboratoriumtest is gebruikt. En het varkentje maar niezen en hoesten bij thuiskomst. “Zal wel van de airco in het laboratorium zijn”, denkt het boertje dan. Maar ja, het varkentje gaat er niet dood van. Het boertje is veertien dagen later overleden! In de tussentijd heeft-ie de buurvrouw, de veevoerleverancier, de dierenarts en de boekhouder aangestoken. En voor je het weet vergadert de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Het blijft in mijn ogen wonderbaarlijk dat de wereld aan de ene kant onbeweeglijk toe kan kijken als honderdduizenden mensen in Afrika worden afgeslacht en aan de andere kant compleet op zijn kop staat als er in een overbevolkte regio 100 mensen overlijden aan een onbekend griepje. Dat we misschien wel zelf in elkaar hebben geknutseld?
Denken met de handen
Met Arnold Heertjes oproep om grootscheeps in te zetten op duurzaamheid, stem ik van harte in. Volgens Heertje vergt die inzet veel innovatie en elan. (1) Daarbij zal hij zeker ook aan technische innovaties hebben gedacht. Met die techniek, of met technologie, is wel iets bijzonders aan de hand.
Voor zover techniek een onderdeel uitmaakt van het dagelijks leven, is die eeuwen lang nauwelijks bepaald door op een wetenschappelijke manier verzamelde kennis. Tegenwoordig is techniek een geaccepteerd onderdeel van de samenleving en speelt wetenschappelijke kennis er juist een grote rol in.
Technologie heeft een beslissende stap voorwaarts gemaakt tijdens de overgang van ons nomadisch bestaan naar het leven op een vaste standplaats, ongeveer 13.000 jaar geleden. Mensen kunnen vanaf dat moment bezittingen hebben die ze niet meer mee hoeven te slepen. Deze overgang vond op de verschillende continenten op verschillende momenten plaats. Een sedentair leven maakte het ook mogelijk om taakscheiding in te voeren: mensen die voedsel produceren en specialisten die door hen werden gevoed. Ook dit is een ontwikkeling die zich in een verschillend tempo op de verschillende continenten voltrok. (2)
Volgens de wetenschapshistoricus Stephen Toulmin komt het tijdperk van de toegepaste wetenschap pas na 1850 op gang, en passant relativeert hij het belang van de wetenschap voor de techniek. “Al meer dan 5000 jaar bewerken mensen de bodem, maken ze metalen gereedschappen en brouwen ze bier. (…) Er wordt wel gezegd dat ‘wetenschap meer te danken heeft aan de stoommachine dan de stoommachine aan de wetenschap’.” (3)
Daar komt nog bij dat technologische vooruitgang een gevolg is van de ontvankelijkheid voor innovaties van een hele samenleving. Technologie ontwikkelt zich in de ogen van Jared Diamond cumulatief, in plaats van op basis van geïsoleerde heroïsche acties. (4) Technische vindingen worden vaak ook pas bruikbaar nadat ze zijn ontwikkeld. 4000 jaar na de ontdekking wordt glas gebruikt om, voor het eerst rond het jaar 1 in Rome, ramen van te maken. (5)
Langzamerhand werd technologische ontwikkeling meer een “autocatalytic process: that is, one that speeds up at a rate that increases with time”. Deze zichzelf voortstuwende vooruitgang wordt gerealiseerd omdat mensen in staat blijken simpele technische problemen steeds weer opnieuw de baas te worden, vaak over perioden die honderden jaren in beslag nemen.
Dit verandert drastisch in de 17e eeuw. Floris Cohen (6) situeert een belangrijke groeistuip van onze moderne technische beschaving in deze eeuw. Door de inzet van “realistisch-wiskundige natuurwetenschap bleek de wisselwerking tussen wiskunde en experiment uitzicht te bieden op alsmaar voortgezette reeksen vaak geldige, soms onjuiste, maar altijd toetsbare conclusies; in de opsporend-experimentele natuurwetenschap werd met allerlei kunstgrepen geprobeerd vat te krijgen op de natuur in al haar grilligheid.” Het is juist deze combinatie, die tussen wiskunde en experiment die Cohen ertoe brengt te spreken over denken met de handen: “Tevoren was beoefenen van natuurkennis neergekomen op eerst zien en dan denken of op eerst denken en dan zien. In de 17e eeuw is handelen erbij gekomen.” (7) Cohen maakt aannemelijk dat er een enorm contrast is tussen de inhoudelijke kennis van rond 1600 en die van rond 1700.
Maar het contrast tussen 1600 en 1700 is niet in alle opzichten groot. Vooral de praktische gevolgen blijven nog lang mager. (8) De mechanisering van het wereldbeeld was een feit, maar de mechanisering van het dagelijks leven nog allerminst.
Een belangrijke volgende beslissende stap voor de techniek situeert Toulmin rond het jaar 1850. De invloed van de wetenschap neemt toe. 1850 valt ook samen met de start van de Industriële Revolutie in Nederland (1850-1970). Het bijzondere van die revolutie is dat “voor het eerst in de geschiedenis (…) niet een elite maar een volk als geheel ontsnapte aan de armoede, de honger en een voortijdige dood.” (9) De noodzakelijke voorwaarden voor deze ontwikkeling waren een moderne technologie, een moderne staat, een moderne economie en een moderne industrie.
Op het hoogtepunt van de industrialisatie in 1960 werkte 41% van de Nederlandse beroepsbevolking in de industrie. De industrialisering viel in Nederland samen met de vorming van de verzorgingsstaat. Met “een directe en actieve sociaal-economische politiek” oefende de overheid een grote invloed uit. Door de groeiende economie nam ook de koopkracht toe. Talrijke consumptieartikelen vormden “het bewijs van de democratisering van de welvaart.”
In de jaren zestig kwamen de raderen van de vooruitgang echter al piepend en krakend tot stilstand: “De positie van de meer arbeidsintensieve industrieën (…) verzwakte met de stijging van de lonen. (…) Bedrijfssluitingen, ontslagen en fusies waren aan de orde van de dag.”
Vanaf de jaren zeventig en tachtig raakte zelfs de gehele industrie in de problemen. De afnemende wereldhandel, twee oliecrisissen, de verplaatsing van de productie naar lagelonenlanden, inflatie en dalende investeringen leiden tot veel faillissementen. “De industrie verdween (…) meer en meer uit het gezichtsveld (…) van de Nederlanders.”
De economische verslechtering valt in de zeventiger jaren van de vorige eeuw samen met een heel andere ontwikkeling. “Eind jaren zestig heerste nog een onbegrensd geloof in de vooruitgang. Enkele jaren later lag het imago van de techniek (…) aan duigen. (…) Aan een periode van grenzeloos optimisme kwam abrupt een einde door: de bewustwording over de eindigheid van de grondstoffen (…), de confrontatie met de eerste energiecrisis (…), de aantasting van het milieu (…) en het verzet tegen het technocratisch denken (…).”
We zijn nu 40 jaar verder en weer blijkt een crisis nodig om gehoor te kunnen vinden voor de oproep voor een duurzame, maatschappelijk verantwoorde, economie. Als we willen dat technologische innovaties bij deze oproep tot vooruitgang een rol van betekenis spelen, is een elan nodig dat zo mogelijk nog sterker is dan het onbegrensde geloof van vóór de zeventiger jaren van de 20e eeuw. Wellicht is het een optie om dit keer niet alleen met de handen te denken, maar ook met ons hoofd?
(1) Lees ook: Leermeester en Boter, kaas en eieren
(2) Diamond, J. (2006). Guns, germs and steel. A short history of everybody for the last 13,000 years. London: Vintage, p. 254 – 261.
(3) Toulmin, S. & J. Goodfield (1982). The Architecture of Matter. Chicago: The University of Chicago Press, p. 25-26.
(4) Diamond (2006), p. 241.
(5) Diamond (2006), p. 245–246.
(6) Floris Cohen is hoogleraar vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht.
(7) Cohen, F. (2007). De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard. Amsterdam: Bert Bakker, p. 278.
(8) Cohen (2007), p. 261-262.
(9) Lintsen, H. e.a. (2005). Made in Holland. Een techniekgeschiedenis van Nederland [1800-2000]. Zutphen: Walburg Pers, p. 340.
(10) Lintsen e.a. (2005), p. 185-187.
(11) Lintsen e.a. (2005), p. 349.
Leermeester
Op 19 april 2007 kreeg ik van een goede vriend van mij een cadeau. Arnold Heertje’s boek Echte economie. Een verhandeling over schaarste en welvaart en over het geloof in leermeesters en lernen.
Het bijzondere van mijn exemplaar is dat er een door Heertje zelf geschreven en aan mij gerichte opdracht in staat: “Voor Tom, Echte economie is ook van belang voor de wijsbegeerte.” Om een aantal redenen ben ik blij met dit exemplaar. Natuurlijk omdat het altijd leuk is om te worden verrast met een cadeau. Bovendien is het niet zomaar een cadeau. Het is een heldere verhandeling over een belangrijk maatschappelijk fenomeen: de economie. Maar ook omdat het een boek is van Arnold Heertje. Dat komt omdat het niet het eerste boek is dat ik van Heertje heb gelezen. Bijna 40 jaar geleden moest ik op school een boek van hem – uiteraard over economie – bestuderen. Daar heb ik geen vrolijke herinneringen aan. De stof ging echt mijn pet te boven. Ook nu moet ik nog behoorlijk wat moeite doen om goed te kunnen begrijpen wat de paretiaanse welvaartstheorie inhoudt. (*)
Maar inmiddels beschouw ik Heertje als een leermeester. Daar zijn zeker twee redenen voor. De eerste is zijn opvatting over de waarde van geld: “Als je je beperkt tot zaken die in geld zijn uit te drukken, vallen veel dingen die mensen belangrijk vinden van tafel.”
De tweede zijn opvatting over het belang van duurzaamheid: “Als (politici) zeggen ‘bouwen, bouwen, bouwen’ en ‘werk, werk, werk’ zonder na te denken waarom we bouwen of waarom het zinvol is, dan zeg ik ‘niet doen’. Het gaat helemaal niet om werk. Werk is maar een middel. Het doel is om zinvolle nieuwe activiteiten te ontwikkelen. (…) Er is werk genoeg, mits je grootscheeps inzet op duurzaamheid. Dat vergt zoveel innovatie, zoveel elan.” (**)
(*) De paretiaanse welvaartstheorie geeft aan “hoe de samenstelling van de productiepatronen en van de consumptiepakketten eruit ziet als uitsluitend de consumenten het in een economie voor het zeggen hebben.” Echte economie, pagina 58.
(**) De Volkskrant van zaterdag 24 april 2009, pagina 14. Zie ook mijn weblog WestBrabantTop bepleit onorthodoxe maatregelen.
Het Diagnostisch Universum
Mensen die mijn weblog volgen, weten dat regelmatig het onderwerp kunst aan bod komt.
Lees ik laatst een gedicht over kunst. Ik heb het wel opgeschreven, maar vergeten er bij te zetten van wie het is. Dus als ik van de Auteursrechtencommissie op mijn donder krijg, is het terecht.
Het Diagnostisch Universum
Kunst, kunst, wat is kunst?
Verlating van deze aarde?
Vertaling van goederen in geldwaarde?
Gedram rond de keutel van een geit?
De blote kont van een koe die schijt?
Over de blonde krullen van een kleuter pissen?
Hoge ogen gooien naar een meeuw in strijd?
Gatverdegatver, kunst blijkt vooral gezelligheid.
Dit vond ik zo’n negatieve associatie met kunst dat ik maar eens bij een echte kunstenaar te rade ben gegaan: Lucebert (2002; op pagina 58 van zijn Verzamelde gedichten. Amsterdam: Bezige Bij):
dit is kunst
koud en dorstig te verdampen
te verstenen van honger en hitte
Waterkwaliteit
Wij zijn er altijd van uitgegaan dat er in bronwater uit flessen meer mineralen zitten dan in kraanwater. Een bevriende restauranthouder heeft dat onlangs voor ons eens grondig uitgezocht.
Over de kwaliteit van het flessenbronwater heeft hij het nodige gevonden bij de Consumentenbond. De kwaliteit van het kraanwater achterhalen, was ook niet zo ingewikkeld. Bij het waterproductiebedrijf Brabant Water staan die gegevens op de website.
Lastiger is het dat in Ulvenhout, waar wij wonen, er twee pompstations zijn waar het kraanwater vandaan komt: Prinsenbosch en Dorst. De kwaliteit van deze pompstations is niet dezelfde! Zo heeft het water uit Dorst een dH van 10,7 en dat van Prinsenbosch een dH van 9,94. Waarbij dH staat voor ‘totale hardheid’. De pH, de zuurgraad, is ook niet gelijk. 7,86 in Dorst en 7,78 in Prinsenbosch. Het water uit Prinsenbosch is dus iets zachter en wat minder zuur. Maar of we daar iets van merken?
Uit de vergelijking met het flessenbronwater dat onze restauranthouder schenkt, blijkt dat het kraanwater in Ulvenhout meer waterstofcarbonaat, meer chloride, meer kalium en meer calcium bevat. Ongeacht het pompstation. Het bronwater bevat opvallend veel meer magnesium, 20 milligram per liter tegen gemiddeld 5-7 in het kraanwater (Prinsenbosch-Dorst). Het kraanwater uit Dorst bleek veel meer natrium te bevatten dan het bronwater (ongeveer +50%). Het kraanwater uit Prinsenbosch echter weer minder (ongeveer -20%).
Onze conclusie is dat je dus net zo goed kraanwater kunt drinken, want dat is een stuk goedkoper. Alhoewel de relatief hoge gehaltes chloride in het kraanwater niet erg geruststellend zijn. Voor het overige waren wij zeer onder de indruk van het onderzoek dat onze restauranthouder heeft gedaan. En het eten smaakt er ook al zo goed.
Martin Bril is dood
Luisterend in de auto naar Met het oog op morgen hoor ik dat Martin Bril is overleden. Geen verrassing. Martin was altijd heel open over zijn ziekte en zijn laatste optreden in De wereld draait door over zijn hondenboekje, was een afscheid. Dat was te zien. Aan hem en aan Mathijs van Nieuwkerken.
Martin schreef elke dag voor de Volkskrant een column. Altijd in overleg met de redactie. Vaak met Pieter Broertjes, de hoofdredacteur. En dan vroeg-ie: “Waar zal ik vandaag eens over schrijven. Zal ik naar Den Haag gaan. Daar is vandaag een spannend debat.” En dan antwoordde Broertjes steevast: “Ga jij maar lekker het land in.” En dan was er weer een column aan het eind van de dag. Altijd over de dagelijkse dingen. Heel herkenbaar. Met veel gevoel voor de menselijke waarde van die kleine dagelijkse dingen. Als je dat elke dag kunt, en zo wordt gewaardeerd, ben je een grootmeester van de schrijfwereld. Daar kreeg hij dan ook terecht vorige week de Bob den Uyl-prijs voor.
Wat me wel verraste was dat hij meer dan 50 boeken heeft geschreven. Bundelingen van zijn columns. Maar ook, zoals het hondenboekje, vanuit één thema. En dat hij filosofie heeft gestudeerd in Groningen, en heeft gestudeerd aan de filmacademie in Amsterdam.
Dat blijft altijd een beetje wringen. Hij was over alles heel open. En tegelijkertijd weet je eigenlijk maar heel weinig over hem. Nu die 50 boeken nog gaan lezen, zal daar waarschijnlijk weinig verandering in brengen.
Future Value
De laatste maanden voer ik intensieve gesprekken over de aanpak van de recessie. Met economen, politici, met ondernemers, met vakbondsmensen en met werknemers. In welke mate of waarover zij het met elkaar eens zijn en zelfs of zij gelijk hebben, kan ik nauwelijks overzien. Maar één ding lijkt onvermijdelijk: een ingrijpende herstructurering van de economie. Daarbij gaat het allang niet meer alleen maar over de financiële markten of het toezicht daarop. De economische kernwaarden sociaal, groen en profijtelijk moeten meer met elkaar in evenwicht worden gebracht. Maar eerst moet worden voorkomen dat mensen buiten de boot vallen. Iedereen moet aan het werk kunnen blijven. Tot hier zijn de meeste mensen het wel met elkaar eens. Maar dan?
Wat is dan de juiste aanpak? Hoe krijgen we dat voor elkaar?
Als we afgaan op wat de wetenschap ons daarvoor meegeeft, is het karig gesteld. Baum en Shipilov hebben organisaties onderzocht in hun ‘natuurlijke omgeving’, in hun ‘ecologie’. (*) Zij komen tot de conclusie dat in tijden van onzekerheid de mogelijkheden bijzonder gering zijn voor individuele organisatieleden om veranderingen in de organisatie aan te brengen die het succes en de overlevingskansen van hun organisatie verzekeren in het licht van de concurrentie: “In a world of high uncertainty, adaptive efforts turn out to be essentially random with respect to future value.” Anders gezegd, je moet iets doen, maar het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat dat dan precies is.
Daar kunnen we het dan weer mee doen.
(*) Baum, J.A.C. & A.V. Shipilov (2006). Ecological Approaches to Organizations. In: Sage Handbook of Organization Studies. London: SAGE Publications.
Vrijheid zonder risico
Om vrijheid roept Marjolijn Februari in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Ze vindt dat onze vrijheid zo wordt ingeperkt, dat ze een sigaret wil opsteken uit protest. Ook al rookt ze niet.
Rüdiger Safranski zegt het mooi in zijn boek Het Kwaad: “Wat betekent volmaakte vrijheid? Dat is een vrijheid waarin het leven slaagt. Maar zo zit de mens niet in elkaar. Vrijheid is bij hem slechts een kans, geen garantie voor succes. Het leven kan voor hem mislukken – door vrijheid. De prijs voor de menselijke vrijheid is precies die mogelijkheid te mislukken. Natuurlijk heeft de mens liever een vrijheid zonder dat risico.”
Ook het opsteken van een sigaret uit protest zal dus geen garantie voor succes zijn.
Voldoening
Praatjesmakers. Kwebbelkonten. Veel vriendelijker kan ik het niet maken. De roman is een kunstvorm voor leuterkouzen. Voor alle duidelijkheid, mensen die in staat zijn meer dan tien pagina’s samenhangende tekst te schrijven, die worden gelezen en gewaardeerd, verdienen bewondering. Zeker, ook de mijne. Bij deze.
Maar juist die bewondering verdient het te worden geofferd op het altaar van de kritische beschouwing. Niet op het altaar van de moderne literaire kritiek. Maar op dat van de moderne samenleving. Dan blijkt dat die samenleving wegzinkt in een consumentisme waaraan de kunsten, dus ook de roman, ondergeschikt zijn gemaakt. Jeroen Brouwers en Connie Palmen hebben groot gelijk. (1)
Maar ja, onderschikking hoeft niet minder te zijn. Het kan ook duiden op opgaan in een groter, mysterieuzer of gewoon complexer geheel. Waarvan we nu bij gebrek aan een omgekeerde blik de contouren nog niet kunnen overzien.
A.L. Sötemann heeft met zijn proefschrift in twee delen (De structuur van Max Havelaar) voor mij de deur tot de roman dicht gedaan. Zijn opvatting was dat de wijze waarop de grondstoffen en hulpstoffen van de roman zijn geselecteerd en georganiseerd – “de wijze waarop ze tot een gecompliceerd net van onderlinge relaties zijn verweven” -, beslissend is voor de esthetische kwaliteit. Om enkele van die grond- en hulpstoffen te noemen: stilistische en compositorische parallellen, spiegelingen, antithesen, verwijzingen, wisselingen van gezichtspunt en tempo. Met deze grond- en hulpstoffen is het volgens Sötemann mogelijk om “in concreto” het “implied purpose” van de roman te achterhalen. Eénmaal voorbij Sötemann is er geen weg meer terug. Al na een paar pagina’s zweven de verhaalperspectieven en vertelscenario’s in de roman je voor de ogen. Nog een paar pagina’s verder en de lol is er alweer vanaf. (2)
Nee, dan de poëzie. Die geeft voldoening. Want die sterkt de spirit “tegen aanvallen van buiten en verleidingen van binnenuit”. Verleidingen zoals de defaitistische stelling dat
“je jankt of strijdt – de dood hetzelfde blijft”. (3)
Laat ik van die voldoening twee voorbeelden met een actuele strekking geven. Eén met, en één zonder gedicht. Eerst maar het voorbeeld zonder gedicht.
De internationale schrijversorganisatie PEN heeft het Slowaaks literair tijdschrift Dotyky Magazine “op de vingers getikt”. Reden: het heeft gedichten gepubliceerd van Radovan Karadzic. Tegen Karadzic loopt momenteel een proces voor het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag omdat hij wordt verdacht van “genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden”. Karadzic was jarenlang leider van de Servische Republiek van Bosnië en Herzegovina. De uitgever van Dotyky Magazine, Boris Brendza, is voor een jaar het lidmaatschap van PEN ontzegd. Brendza heeft zich verdedigd tegen de aantijgingen met het argument dat de gedichten van hoge kwaliteit zijn en dat het zonde zou zijn ze niet te plaatsen. Dat van die “hoge kwaliteit” kan ik niet beoordelen. Ook de schrijversorganisatie PEN onthieldt zich wat dit betreft wijselijk van enig commentaar. De reden voor de uitbrander is dat de gedichten werden gepubliceerd “zonder enige toelichting of commentaar” over Karadzic’s achtergronden. Naar verluidt gaan Karadzic’s gedichten tegenwoordig vooral over “aanvallen van buiten”: “de onkunde van rechters die hem ‘beoordelen voor onbeduidende feiten’.” Of hij daar voldoening aan beleeft, is niet bekend. (4)
Dan het gedicht:
O Heer, geef hun blindheid
En een bochel op hun rug,
Zodat ze ophouden met hun omzwerving
En ophouden hier bij ons te komen.
God, geef hun melaatsheid,
De ouden en de jongen,
De vrijen en de knechten,
Zodat er niet één aan ontkomt.
God, geef hun wonden
En open botbreuken,
Zodat ze nergens meer heen kunnen gaan,
Naar geen enkele plek.
Laat ze allemaal haakwormen krijgen,
Laat hun voeten opzwellen,
Laat ze zware ziekten krijgen,
en laat hun lichaam smartelijk lijden.
Dit is een vloekgebed of een vloeklied dat stamt uit het Swahili. Een Afrikaanse taal. Dit literaire vloeklied is gericht tegen Somaliërs die steeds opnieuw op rooftocht komen langs de Oost-Afrikaanse kust. Het is voor het eerst geciteerd in Die Religionen Afrikas van Ernst Damman in 1963 en stamt waarschijnlijk uit een eeuwenoude mondelinge overlevering. (5) Al in de 14e eeuw vertellen ontdekkingsreizigers over de verschrikkingen van de Somalische zeerovers. (6)
Hoe toepasselijk de verwensingen uit het gedicht ook zijn, tot nu toe hebben ze niet de voldoening geschonken waarom wordt gevraagd. Somalische piraten halen nog steeds en elke dag de (virtuele en audiovisuele) voorpagina’s van de internationale media.
In mijn beleving is het onmogelijk om met proza zo kernachtig de actualiteit door en over de eeuwen heen te verdichten.
(1) Etty, E. (2009). De stelling van Jeroen Brouwers: Taalunie, koningshuis en Plasterk minachten de literatuur. In de NRC van 18 april 2009, pagina 10 en 11 van de bijlage Opinie & Debat. Connie Palmen heeft haar zorgen naar voren gebracht tijdens een kort televisie-interview op het Boekenbal, dat ik heb gezien in De wereld draait door van afgelopen donderdag. Alwaar zij haar zorgen nog eens benadrukte. De kwebbelkonten die bij haar aan tafel zaten, begrepen er zoals te verwachten niets van.
(2) Sötemann, A.L. (1973). De structuur van Max Havelaar. Bijdrage tot het onderzoek naar de interpretatie en evaluatie van de roman. 1 en 2. Groningen: Wolters-Noordhoff.
(3) Heaney, S. (1996). De genoegdoening van poëzie. Essays. Amsterdam: Meulenhoff. In het Engels is de titel van Heaney’s werk The Redress of Poetry. Voor mijn gevoel heeft de vertaler, de dichter Jan Eijkelboom, redress ten onrechte vertaald in genoegdoening. Mijns inziens was voldoening een beter woord geweest.
(4) De Morgen (Belgische krant) van zaterdag 18 april 2009: PEN tikt tijdschrift op de vingers over publicatie gedichten Karadzic.
(5) Opgetekend uit: Schipper, M. (1983). Afrikaanse Letterkunde. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, p. 38-39.
(6) Kaplan, R. (2009). Al Qaida kan nog wat leren van piraten. In de Volkskrant van zaterdag 18 april 2009.




