Kreupelhout

(o.) [heeft de oorspr. betekenis van kreupel, namelijk kruipend, vastgehouden], laag houtgewas met dooreengegroeide stammen en takken;

Archief

Archive for september, 2009

Rust en leegte

Rust en leegte zijn belangrijke eigenschappen van onze ruimtelijke omgeving. De afgelopen dagen ben ik weer eens met die wijsheid geconfronteerd. Tijdens een wandeling van zo’n 25 kilometer door de prachtige landelijke omgeving ten oosten van Amersfoort, moesten we noodgedwongen langs en over wegen waar auto’s reden. Er langs gaat nog, maar als wandelaars de weg delen met automobilisten is dat geen pretje. Veel wegen in het landelijk gebied zijn daar niet op berekend. En ook al houden de meeste automobilisten rekening met je, het blijft voor beide weggebruikers een zenuwslopende aangelegenheid. Zijn er in een bebouwde omgeving bijna altijd goede voorzieningen voor fietsers en wandelaars, in het landelijk gebied laten de gemeenten het wat dit betreft collectief afweten.
Daarnaast zijn snelwegen en spoorlijnen voor fietsers en wandelaars vaak ondoordringbare obstakels. Op maar weinig plaatsen worden die obstakels doorsneden door voor het langzame verkeer gebruiksvriendelijke corridors. Voor fietsers is dan soms nog wel gezorgd, zoals hier ten zuiden van Breda, maar wandelaars komen er bekaaid van af. Zij moeten het fietspad op. En dat leidt tot de uitwisseling van heel wat donkere blikken.
Nog lastiger wordt het als wandelaars en voetgangers de toch al smalle paden en wegen moeten delen met de veel te ruim bemeten openbaar vervoerbussen, zoals op Schiermonnikoog. Fietsers moeten afstappen en samen met de voetgangers staan ze aan de kant te wachten tot de bovenmaatse stadsbus is gepasseerd. Dat is zonde. Gemotoriseerd verkeer hoort niet op zo’n klein eiland. Paard en wagen lijken me een waardige vervanging. Ze geven extra charme en rust aan dit prachtige eiland.
Zo is ruimtelijk ordenen niets anders dan de dynamiek van de mobiliteit een plek geven. Cross-over is daarbij het sleutelbegrip. Wat inhoudt dat de verschillende modaliteiten van de menselijke mobiliteit op zo’n manier op elkaar worden afgestemd dat doorstroming is gegarandeerd, minimaal op de plekken waar ze elkaar kruisen.

Gebraden vlees

Op het moment dat je alleen materiële verklaringen accepteert voor maatschappelijke of andere verschijnselen, zoals ik, kun je aardig in de problemen komen. Zo is middeleeuwse literatuur alleen te begrijpen met een gedegen kennis van de bijbel. Maar of de bijbel daarmee een voldoende of bevredigende verklaring geeft?
Bovendien kun je je bij dat verklaren ook in onmogelijke bochten wringen. Zo stelt Thomas Baumeister (1) dat een literair werk als de Hamlet van Shakespeare (1564-1616) geen materieel object is. (2) Hij vindt dat er een ideale, niet-materiële, Hamlet is (= de typus). Zeg maar ‘de’ Hamlet. De verschillende uitvoeringen van die Hamlet zijn daar dan de concretisaties van (= de tokens). Baumeister onderbouwt deze redenering met twee argumenten. Op de eerste plaats zegt hij dat als we zouden aannemen dat alle concretisaties ‘de’ Hamlet zijn, Shakespeare niet slechts één maar een onbepaalde hoeveelheid Hamlet’s heeft geschreven. Op de tweede plaats kan ook het originele werk van Shakespeare niet als ‘de’ Hamlet worden gezien, omdat we de werkelijke Hamlet dan alleen lezen als we het originele werk lezen en dat bestaat niet meer.
Beide argumenten gaan mank. De concretisatie van ‘de’ Hamlet in druk, op het toneel of in de film is de realisatie van ‘een’ concrete Hamlet die voor die realisatie als uitgangspunt is genomen. Niemand kan een Hamlet realiseren zonder uit te gaan van een concrete Hamlet. Wat die concrete Hamlet dan is, bepaalt diegene die zich met die realisatie heeft belast. Vanuit zijn of haar eigen concrete perspectief. Een perspectief dat door tijd en plaats wordt bepaald en niet alleen door dat wat Shakespeare ooit als oorspronkelijke Hamlet heeft geschreven. Tijd en plaats bieden een perspectief waar niemand zich aan kan onttrekken.
Een schrijver als Jan van Ruusbroec (1293-1381), die dus nog eerder leefde dan Shakespeare, was zich al terdege bewust van dit dilemma. Zo verklaarde hij de eetbaarheid van de hostie door te stellen dat Jezus aan het kruis was gebraden: “ende ghebraden aan het cruce om onse sonden, opdat ons wel smaken soude”. (3) Van Ruusbroec verbond zo het dogma van de hostie als het lichaam van Christus, die in het jaar 33 in het Midden-Oosten zou zijn overleden, met het eten van de hostie door de gelovigen tijdens de eucharistieviering in zijn eigen tijd in Vlaanderen. In de Middeleeuwen zullen de mensen dat zeker hebben begrepen en gewaardeerd.

(1) Baumeister, Th. (2001). De filosofie en de kunsten. Van Plato tot Beuys. Budel:
Damon, p. 459. In september 2008 heeft Baumeister afscheid genomen als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Nijmegen.
(2) Op dit moment wordt er van uitgegaan dat Shakespeare zijn Hamlet schreef in de jaren 1600 en 1601.
(3) Pleij, H. (2007). Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Amsterdam: Bert Bakker, p. 230.

Duurzame pretenties

Spinoza zei het al: de mens wil rijkdom, eer en genot. (1)
Of in de woorden van de hedendaagse consument: ‘goedkoop, gemakkelijk en lekker’. Die consument zou inconsistent, opportunistisch, onbetrouwbaar, schizofreen, egoïstisch en onverschillig zijn. Idealen, principes en moraal gooien we overboord zodra we de supermarkt binnen stappen. Deskundigen onderscheiden drie opvattingen in deze discussie. Consument en burger zijn één-en-dezelfde, er is sprake van een tegenstelling in de vorm van een tweedeling en consument en burger zijn een ‘twee-eenheid’. (2)
Maar de verleiding van de eenvoud van deze discussie is verraderlijk. Eén persoon kan tegelijkertijd aan elkaar tegengestelde opvattingen en eigenschappen hebben, egoïsme tegenover altruïsme, inconsistentie naast consistentie, onverschilligheid naast betrokkenheid. Mensen kunnen ongerust en gerust zijn, angst hebben én overmoedig zijn. Er is voortdurend sprake van perspectiefwisseling. En dit in allerlei gradaties.
Bovendien wordt door de meeste deelnemers aan de discussie over de relatie tussen consumentisme en burgerschap te veel waarde gehecht aan normen en waarden, idealen, voorkeuren, principes en de moraal. De invloeden van de ‘tijdgeest’ en de sociale omgeving worden steevast onderschat. Evenals de invloed van ons zelfbeeld en de manier waarop en de mate waarin we signalen over dat zelfbeeld ontvangen en interpreteren.
Maar bovenal wordt ons leven bepaald door aan plaats en tijd gebonden omstandigheden waar wij als individu niet of nauwelijks invloed op kunnen uitoefenen, zoals de stand van de techniek, onze financiële mogelijkheden, de wet- en regelgeving, de marktontwikkelingen en onze fysieke omgeving. In het licht van deze ‘situationele factoren’ lijken onze idealen vaak nietig en onhaalbaar en schieten onze principes en moraal tekort.
Dit ‘menselijk tekort’ roept de nodige frustraties op. Wat te herkennen is aan verschijnselen als het ‘NIMBY’- effect en het ‘free-riders’-principe. Het ‘NIMBY’-effect (‘Not In My Back Yard’) is het verschijnsel waarbij we niet bereid zijn om ons individueel belang op te offeren voor het collectieve belang. Het ‘free-riders’-principe is het verschijnsel waarbij individuen ongewenst en onnodig gebruik maken van collectieve voorzieningen. Met het nodige cynisme kunnen deze verschijnselen worden verklaard als geïnspireerd door onverschilligheid, opportunisme of egoïsme.
Maar dit cynisme is niet op zijn plaats. Natuurlijk zijn mensen ook onverschillig, opportunistisch en egoïstisch. Maar daarnaast beschikken mensen over een heel repertoire aan andere eigenschappen. Een repertoire dat onze natuurlijke aard is. Dit repertoire doorgronden, is een mooie maar complexe opgaaf. Bovendien is de mens niet los te redeneren van zijn of haar sociale en fysieke omgeving. Een omgeving die een ingrijpende en vaak overheersende invloed heeft op wat we willen en kunnen. Als we ons niet aan die omgeving zouden kunnen aanpassen, zouden we geen kans maken te overleven. Aanpassingsvermogen is daarom een sleuteleigenschap.
Maar ook dat aanpassen, is een hele opgaaf. Daarmee is de afgelopen honderd jaar het nodige misgelopen. We hebben iets te gemakkelijk gedacht dat alles vanzelf wel goed zou gaan. Wij dachten dat met genoeg geld, adequate technische middelen en toereikende wetten en regels onze tekortkomingen en de beperkingen van ons aanpassingsvermogen zouden kunnen worden gecompenseerd. Maar iedere oplossing creëerde nieuwe problemen. Bovendien blijkt uit een evaluatie over de jaren 1990-2000 van het milieubeleid in Nederland dat ‘vernieuwende ideeën geen ingang hebben gevonden.’ (3)
Maar, zoals gezegd, voor cynisme is geen plaats.
Misschien hebben we als mensheid gewoon te veel hooi op onze vork genomen. Misschien hebben we ons ongewild wat al te ambitieus en onbescheiden gedragen. Misschien hebben we te weinig geduld om in alle rust naar elkaar te luisteren. Bovendien is er naast veel schoonheid, veel complexiteit in de natuur waar we onlosmakelijk een onderdeel van uitmaken. En in complexiteit kun je verdwalen, zoals je in schoonheid kunt verdrinken.
Vaak lijkt de benadering van maatschappelijke problemen vanuit het principe van duurzaamheid ook veel te ambitieus en onbescheiden. Bij een duurzame ontwikkeling gaat het immers om de balans tussen op zich al bijzonder gecompliceerde belangen: ‘economic prosperity, environmental quality and (…) social justice.’ (4) Duurzaamheid is daarmee een complex en dynamisch begrip. Het is ook een begrip waar uiteenlopende (wetenschappelijke) visies op bestaan. Maar voor dit moment is het een benadering waarmee veel concrete problemen kunnen worden opgelost. Al was het maar dat steeds weer opnieuw blijkt dat deze benadering leidt tot veel meer respect voor wat we met zijn allen tot nu toe hebben bereikt en veel in stand laat waarvan we zo op het eerste gezicht zouden zeggen dat het onderhand toch tijd werd om er maar eens iets anders voor te bedenken.

(1) Nadler, S. (2003). Spinoza. Amsterdam: Olympus.
(2) Dagevos, H. en L. Sterrenberg, red. (2003). Burgers en consumenten. Tussen tweedeling en twee-eenheid. Wageningen.
(3) Boons F. e.a. (2000). The changing nature of business. Utrecht.
(4) Elkington, J. (1999). Cannibals with forks. The Tripple Bottom Line of 21st Century Business. Oxford (UK): Capstone.

Onvervreemdbaar recht

In Breda is enige commotie ontstaan over het afgelasten van de onthulling van een kunstwerk. De opdrachtgever voor het kunstwerk voelde zich in het nauw gebracht door gemeente en bewoners en veranderde een onderdeel van het kunstwerk zonder toestemming van de kunstenaar. Die liep naar de rechter en werd natuurlijk prompt in het gelijk gesteld. De wereld was te klein. Hoe kon die kunstenaar zich nu in zijn artistieke vrijheid voelen aangetast door zo iets pietluttigs? En de rechter, die had door zijn uitspraak laten zien dat hij al helemaal geen enkel inzicht heeft in maatschappelijke verhoudingen.
Maar kunst is niet iets pietluttigs en de rechter toonde juist zeer veel inzicht in maatschappelijke verhoudingen. Hoe dat zo?
Met bijzonder veel moeite is in 1912 mede naar aanleiding van internationale afspraken in Nederland de Auteurswet tot stand gekomen. Deze wet beschermt het gedachtegoed en de producten van kunstenaars, schrijvers, journalisten, filmers, theatermensen etc. Dat die wet in 1912 tot stand is gekomen, hangt onlosmakelijk samen met de opkomst van allerlei sociale bewegingen, waarvan de emancipatie van de rechten van de ‘kunstenaar’ deel uitmaakte. Vóór die tijd werden kunstenaars uitgebuit, zoals de arbeiders.
Een mooi Nederlands voorbeeld van die uitbuiting is de wijze waarop in de 19e eeuw Jacob van Lennep als uitgever van de Max Havelaar van Eduard Douwes Dekker, tegen de uitdrukkelijke wens van de schrijver talloze in de ogen van de uitgever ongepaste passages uit het boek schrapte. Zoals de rechtstreekse aanklacht tegen de koning over zijn verantwoordelijkheid bij de onderdrukking van de autochtone inwoners van Indonesië. Vervolgens gaf Van Lennep verschillende edities uit van het inmiddels zeer populair geworden boek, zonder de schrijver daar voor te betalen.
De Auteurswet 1912 heeft een radicaal einde gemaakt aan deze praktijken. Daar hebben veel ‘broodschrijvers’ en kunstenaars van kunnen profiteren. En veel lezers hebben daarvan geprofiteerd, omdat er ook een definitief einde kwam aan het schrappen van onwelgevallige passages.
De kern van de Auteurswet 1912 is dat de kunstenaar/schrijver het onvervreemdbare recht bezit van het werk. Dus zelfs nadat de opdrachtgever of de kunstliefhebber formeel juridisch eigenaar is geworden van het kunstwerk, behoudt de kunstenaar het zogenaamde ‘persoonlijkheidsrecht’. Dit houdt in dat zonder de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de kunstenaar niets aan het kunstwerk mag worden veranderd. De jurisprudentie hierover is zo omvangrijk dat al voor de rechtszaak de uitspraak van de rechter exact was te voorspellen.
Of de kunstenaar zich in zijn artistieke vrijheid voelt aangetast, is dus volkomen irrelevant. De kunstenaar doet niets anders dan zich te beroepen op bescherming tegen willekeur. Welke bescherming een fundamenteel onderdeel is van onze rechtstaat en daarmee van onze democratie. Door zijn uitspraak heeft de rechter juist heel duidelijk blijk gegeven van het feit dat hij een groot inzicht heeft in maatschappelijke verhoudingen. Daar zou iedereen hem om moeten prijzen!

BioBTWvrij

In een (hoofd)redactioneel commentaar in de NRC bijlage Opinie & Debat van afgelopen zaterdag wordt een pleidooi gehouden voor strengere methoden bij de voedselproductie. Zo zou financiële ruimte ontstaan om milieuvriendelijker te werken. Maar afspraken over strengere productiemethoden kunnen alleen in internationaal verband worden gemaakt, omdat concurrentievervalsing op de loer ligt. Bovendien kost het maken van zulke afspraken heel veel tijd. Terwijl het verhogen van de belasting op niet duurzaam geproduceerde vlees, vis en zuivel een simpele, snel af te spreken nationale maatregel is. Die verhoging heeft ook als voordeel dat ze effecten kan hebben op voedselproducenten buiten Nederland. Een ander en mijns inziens vriendelijker middel dan belastingverhoging is het verlagen van de belasting. Zoals het ‘burgerinitiatief’ om de BTW op biologische voedingsmiddelen te verlagen. Een prima initiatief dat brede steun verdient. Zie www.biobtwvrij.nl.

Walgen van de publieke sector 2

Soms word je op je wenken bedient. Zeg ik in mijn blog van afgelopen donderdag dat ik geen recente literatuur ken over het beeld dat burgers hebben van de overheid, citeert Aukje van Roessel in de Groene Amsterdammer van 11 september 2009 uit Het aanzien van de politiek van de Nijmeegse hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts: “Het slechte imago beperkt zich niet tot de laatste twee eeuwen en is evenmin een louter Nederlands verschijnsel.” Aerts heeft het dan over het imago van de politiek en de daarbij horende elite. Een geliefd politicus is volgens Aerts een uitzondering.
Aukje van Roessel signaleert dat pas sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de afzijdigheid van de kiezers als probleem wordt gedefinieerd. Zij beschrijft een aantal kenmerken van die afzijdigheid:
- Er is afkeer van de politiek en wantrouwen tegenover kabinet en parlement;
- ‘De gewone man’ zou een gebrek aan leiderschap ervaren;
- Het stemmen op LPF, TON en PVV.
Van Aerts noemt die afzijdigheid ‘de toeschouwersdemocratie’. Volgens Van Roessel zijn daarvoor veel wetenschappelijke verklaringen. Als we die op een rij zetten, zijn ze echter tot één kernpunt terug te brengen: politici voldoen niet aan de mede door henzelf gewekte en mede daardoor te hoog gespannen verwachtingen van ‘de gewone man’. Ergo: onvrede. Vertrouwen maakt plaats voor wantrouwen. Of het nu gaat om gebrekkige dienstverlening, de afgeslankte macht, de trage besluitvorming, het gebrek aan daadkracht, de onbeheersbaarheid van maatschappelijke problemen of het compromisloze karakter van morele vraagstukken (een halve abortus bestaat niet), aan de hoge verwachtingen van ‘de gewone man’ wordt niet voldaan.
Hoe om te gaan met deze gefnuikte verwachtingen? Drie aanbevelingen geeft Van Roessel:
1. Verruim het kiesrecht. Maar daar wordt toch al meer dan 60 jaar vruchteloos over gedebatteerd? Bijt de slang hier in de eigen staart?
2. Politici, trotseer de publieke opinie, en burgers, heb meer respect voor de rechtstaat en voor het compromis als kenmerk van de democratie. Maar wie gaat dat regelen?
3. Een charismatisch leider. Maar die luistert toch niet naar ‘de gewone man’?
Kortom, oplossingen lijken verder weg dan ooit.

De bestuurskundige hoogleraar Bovens relativeert overigens krachtig de zorgen van ‘de gewone man’ en de politicus. In Nederland is het vertrouwen in elkaar én de politieke instituties groot. Dat vertrouwen is in het verleden in tijden van crisis wel eens lager geweest, maar met de huidige crisis schijnt daar opvallend genoeg weinig van te merken te zijn. Waarom wordt er dan toch steeds over een vertrouwenscrisis gesproken? Bovens geeft daar een aantal verklaringen voor, waar overigens het nodige op af valt te dingen:
- In de logica van de media is er alleen een markt voor slecht nieuws. Niet voor goed nieuws. Bovens is op dit punt even geloofwaardig als de politici zelf. Die geven de media ook graag de schuld van al hun problemen.
- Politici gebruiken de vermeende vertrouwenscrisis als ‘een retorische stoplap’ om de eigen ideeën te ‘verkopen’. Als klopt wat Bovens hier zegt, versterkt dit natuurlijk terecht het wantrouwen in politici!
- Zwevende kiezers maken politici nerveus. Temeer omdat politieke partijen ‘te weinig wortels hebben in de samenleving’. Het vertrouwen dat de kiezers in de politiek en de politici hebben, wordt dan automatisch van belang. Op zich is dit begrijpelijk. Het mechanisme van de vertrouwde, verzuilde achterban wordt vervangen door het mechanisme van de wetenschappelijk verantwoorde opiniepeiling. Het dwingt politici meer rekening te houden met de standpunten van ‘de gewone man’. Ook al behoort die niet meer tot de achterban. Maar wat nu als die achterban er heel andere ideeën op na houdt dan ‘de gewone man’?

Tegenover ‘de toeschouwersdemocratie’ van de geschiedkundige Aerts plaatst de bestuurskundige Bovens ‘de diplomademocratie’. Tegenover de gewone man van de straat staat de hoog opgeleide man die het land bestuurt! Ook Bovens hecht grote waarde aan de verwachtingen die laag en hoog opgeleiden koesteren. Zo verwachten lager opgeleiden alleen maar nadelen van Europa, migratie en langer doorwerken; hoger opgeleiden juist vooral voordelen.
Bovens signaleert dat het vertrouwen in de democratie is toegenomen. Afgeven op politici ziet hij veel meer als een vorm van emancipatie. Een gevolg van ontzuiling en ontvoogding. De politici zijn wel de klos: “Als het even misgaat, moeten ze meteen weg.” Volgens Bovens krijgt de overheid ook overal de schuld van omdat we een zondebok missen in de vorm van een bovenaards wezen. De overheid als een seculiere god, zeg maar. Gelukkig onderscheidt Bovens het wantrouwen jegens kabinet en parlement nadrukkelijk van het wangedrag tegenover autoriteiten zoals de politie. Die hufterigheid komt in zijn ogen door drank, drugs en onze ‘doorgeschoten assertiviteit’.

Wat ontbreekt er mijns inziens nu aan de analyses van Aerts en Bovens?
Op de eerste plaats worden fenomenen als het kabinet, de politici, de gezagsdragers, het parlement, de politiek, het ambtelijk apparaat en de overheid wel erg gemakkelijk op één hoop geveegd. Er zijn redenen om aan te nemen dat dit niet terecht is. De feitelijke dienstverlening door de overheid aan de burgers wordt door diezelfde burgers al jaren als bijzonder positief beoordeeld. Bovendien marcheert onze samenleving uitstekend, op zichzelf beschouwd en al helemaal in internationaal perspectief. Dat is geen reden om achterover te leunen, maar ik ken geen politicus of ambtenaar die dat doet.
Op de tweede plaats wordt nergens recht gedaan aan de verantwoordelijkheid van de burger. In alle nuanceringen en subtiliteiten blijft het gedrag en daarmee de verantwoordelijkheid van de burgers braaf buiten beeld in de analyses van Aerts en Bovens. Zodat het ook nog mogelijk is dat de ‘azijnpisserij’ van de burgers tegen de politiek en de overheid veel meer lijkt op een gebrek aan zelfvertrouwen bij die burgers. Een gebrek dat ontstaat omdat we merken dat we onszelf niet meer in de hand hebben? Een gebrek aan zelfvertrouwen leidt in ieder geval tot onzekerheid. Welke onzekerheid weer leidt tot angst. Welke angst onvermijdelijk leidt tot agressie. Bij de laag opgeleiden heet die agressie dan hufterigheid en bij de hoog opgeleiden narcisme.
Maar ik heb nog een ander probleem met de analyses van Aerts en Bovens. In hoeverre is ‘vertrouwen’ een aspect van imago? Hebben feitelijke ervaringen van burgers met politici en ambtenaren niet veel meer invloed op het beeld dat zij hebben van politiek en overheid? Ik vraag me bovendien af of meer vertrouwen in de wetenschap en wetenschappers ook zou kunnen leiden tot meer vertrouwen in politici, ambtenaren of de overheid. En andersom. Of anders gezegd, als wetenschappers vinden dat er aanleiding is om hun analyses te vertrouwen, waarom zou ik dan minder vertrouwen hebben in politici, ambtenaren en de overheid? Mijns inziens is er zeker aanleiding voor vertrouwen. Van beide partijen en voor beide partijen. Ook al wil dat nog niet zeggen dat we ademloos en kritiekloos achter ze aan hoeven te hollen.

Walgen van de publieke sector

De bestuurskundige Ringeling heeft op mij altijd indruk gemaakt. Een boek schrijven met als titel Het imago van de overheid zonder ook maar met één woord op dat imago in te gaan, is een bijzondere prestatie. (1) Ringelings boek gaat niet over het imago, maar over de identiteit van de overheid. Als zodanig is het een redelijk uitgebreide uiteenzetting over wat de overheid nu precies is en doet. Interessant en lezenswaardig. Een absolute aanrader voor mensen die iets van de overheid willen leren begrijpen en die hun beeld (= imago) van de overheid zouden willen bijstellen.
Toegegeven, het is mijn tekortkoming dat ik maar weinig publicaties ken die serieus werk maken van de analyse van het beeld dat mensen hebben van de overheid. Dat beeld inventariseren en vervolgens beschrijven, lijkt me ook niet eenvoudig. Je zou dan in feite van individu naar individu moeten rondvragen. En zelfs dan is er sprake van een momentopname.
Wat helpt is dat afgelopen weekend twee mensen zich in de krant expliciet over hun beeld van ‘de’ overheid hebben uitgelaten. Marc Chavannes in de NRC en Roel in ’t Veld in de Volkskrant.
“Niemand regeert” zegt de journalist Chavannes. Om ‘de’ Nederlandse overheid vervolgens te vereenzelvigen met het Kabinet Balkenende IV. Gisteren verscheen zelfs een heel boek van zijn hand dat dit thema nog eens lekker uitdiept. Met de ene oneliner na de andere laat hij zich negatief uit over de bestuurlijke kwaliteit van onze ministers. Ze krijgen niet echt persoonlijk de schuld, maar het zijn in zijn ogen ook niet de voorbeelden van daadkracht waar wij met zijn allen naar hunkeren.
Met “kennis maakt ons in de war” tapt In ’t Veld uit een heel ander vaatje. Hij heeft de beheerste uitstraling van de professor die weet wat wij van de overheid vinden. Wij zouden walgen van de politiek. De overheid is niet meer representatief voor hoe wij denken en ons gedragen. Dat komt volgens In ‘t Veld dus omdat we zo hoog zijn opgeleid. Van de kennis die bij die hoge opleiding hoort, raken we in de war. Zodat de hang naar simplificatie toeneemt en de politieke agenda’s worden bepaald door ‘de onderbuik van de populisten’. Bovendien komt onze simpele Joods-christelijke inborst niet verder dan dat iets goed of fout is. In ’t Veld vindt dat we toch echt beter zouden moeten weten. Zoals hij zelf. Als seculier (!?) Hindoe heeft hij al vanaf zijn 16e jaar beter in de gaten dan wie ook dat “het spectrum tussen goed en slecht altijd interessanter is dan de uiteinden.” Wat op zich een boeiende zienswijze is.
Maar al meer dan dertig jaar zingt In ‘t Veld hetzelfde liedje, met hetzelfde melodietje. Die ‘eeuwige treurnis’ van hem heeft weinig van doen met de noeste arbeid van bestuurders, van politici en van ambtenaren of met de inspanningen die burgers zich getroosten om onze wereld leefbaar te houden. Met zijn gebeuzel toont hij dezelfde onderbuik als de populisten die ‘de stem van het volk’ menen te vertegenwoordigen.
Leefbaar samenleven is heel wat anders en vraagt heel wat meer capaciteiten dan In ‘t Veld en Chavannes blijkbaar kunnen bedenken. Met geen woord reppen zij over de uitermate complexe en precaire verantwoordelijkheid van het overheidsbestuur – en daarmee dus ook van de burger – om bijvoorbeeld lange termijnbelangen als mobiliteit, energievoorziening, voedselproductie, watervoorziening, een schone lucht etc. tegen elkaar af te wegen en er beslissingen over te nemen. Integendeel. In ‘t Veld geeft zelf ruiterlijk toe daar helemaal niets van te weten! Van Chavannes neem ik dat zonder meer aan. En juist bij deze afwegingen en beslissingen is de opgaaf om de burger te betrekken – en naar mijn mening ook met nadruk de plicht van de burger om daar een rol in te spelen – een al even complexe en precaire aangelegenheid.
Chavannes en In ’t Veld lijden aan, wat ik zou willen noemen, het Syndroom van de Koeientheorie. Die theorie wordt gebruikt om aan te geven hoe dom ondernemers zijn. Maar aanhangers van die theorie blijken niets te begrijpen van koeien en al helemaal niets van ondernemers. Zoals Chavannes en In ’t Veld weinig begrijpen van de overheid en even weinig van burgers.

(1) Ringeling, A. (1993). Het imago van de overheid. De beoordeling van prestaties van de publieke sector. Den Haag: VUGA.

Ons dorp in 2040

Ergens in de komende weken zal door de gemeenteraad het bestemmingsplan worden vastgesteld van het ‘dorp’ waar ik woon. Aan dat plan is een uitgebreide consultatieronde vooraf gegaan. Naar aanleiding van die ronde heeft de dorpsraad het idee opgevat om los van al dat concrete gedoe ook eens vrijuit met de dorpsbewoners over de toekomst te praten. Gisterenavond was de bijeenkomst. Een lovenswaardig en gewaagd initiatief.
Lovenswaardig omdat een bestemmingsplan voor tien jaar geldt, en dat is een korte periode. In een dorp gaan investeringen en ontwikkelingen veel langer mee. Ook lovenswaardig omdat een bestemmingsplan van papier is en in dat plan aan heel veel andere zaken die voor de dorpsbewoners van belang zijn weinig aandacht wordt besteed. En lovenswaardig omdat jonge mensen dan de kans zouden hebben om ook over de toekomst van hun dorp eens wat te zeggen.
Het gewaagde van dit ‘experiment’ is dat voor veel mensen de concrete eigen voor- en achtertuin en alles wat zich in de nabijheid daarvan afspeelt, veel belangrijker is dan hoe het dorp er in 2040 zal uitzien. Zo’n gesprek gaat dan al snel over de ‘waan van de dag’. Daar is natuurlijk ook wel wat voor te zeggen. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Ook al kunnen we op dat hele concrete, in tijd nabije, veel minder invloed uitoefenen dan op dat wat verder weg ligt. Het zij zo.
De twee inleiders hebben hun uiterste best gedaan. Aan hen zal het niet liggen. De ene schetste vanuit een breed perspectief welke ontwikkelingen invloed hebben op het dorp zoals dat er in 2040 uit zou kunnen zien. De andere gaf met 100 dia’s aan hoe wij ook naar de kleine veranderingen die ons staan te wachten kunnen kijken en ermee om kunnen gaan.
Uit beide inleidingen kwamen twee hele mooie voorstellen. Het eerste is de organisatie van een gespreksronde in het dorp waarbij nadrukkelijk jonge mensen worden betrokken. De dorpsraad zal er zijn handen aan vol hebben, maar het is wel een heel dankbare taak. Want de gemiddelde leeftijd van de aanwezigen op deze ‘vrije’ avond was hoog. De meeste aanwezigen zullen 2040 niet meer meemaken.
Het tweede voorstel was om alle zaken die niet in het bestemmingsplan zijn geregeld toch maar eens met elkaar te bespreken. Hoe willen wij als dorpsbewoners dat het dorp er uit ziet? Concreet. Dan gaat het om hellingshoeken van daken, vorm en kleur van bakstenen en dakpannen, bouwhoogte, zichtlijnen, groen, en dergelijke. Ogenschijnlijk onbelangrijk, maar in de praktijk beeldbepalend. En ga vervolgens als dorpsbewoners daarover dan het gesprek aan. Met gemeente-ambtenaren, met politici, met projectontwikkelaars. Maar vooral ook met elkaar. En heb het dan met elkaar ook over al die wat minder tastbare zaken. Zoals de manier waarop we met elkaar omgaan. Hoe we ons op straat gedragen. Wat goed nabuurschap is. Wat we van elkaar verwachten.
Na de inleidingen was het aan de aanwezigen om het gesprek aan te gaan. Met de inleiders, maar ook met elkaar. En inderdaad, het ging vooral om het eigen huisje, boompje en beestje. Bijna niemand was in staat om te abstraheren van het directe eigen belang of de waan van de dag. Er is overigens geen enkele reden om daar treurig of ongerust over te zijn. Uit het feit dat mensen hun persoonlijke zorgen naar voren brengen, kan immers zonder meer worden afgeleid dat er dus ook een grote behoefte is aan een goed gesprek met elkaar over al datgene dat nu in tijd en afstand zo dicht bij ons staat. Ook dat is kennelijk heel belangrijk. En daarmee is het derde voorstel van de avond een feit: met elkaar praten over dat wat ons vandaag en concreet aan het hart gaat.
De dorpsraad heeft er weer een paar mooie en uitdagende ‘opdrachten’ bij.

Onverwacht en opwindend

Freeman Dyson was natuurkunde professor aan Princeton, een prestigieuze universiteit in de Verenigde Staten. In Nederland geniet hij enige bekendheid door zijn optreden in de documentaire reeks Het Schitterend Ongeluk van Wim Kayzer. Dyson is met emeritaat en dat geeft hem alle tijd om te lezen en te schrijven. In The New York Review of Books van deze zomer (Volume LVI, Number 13) bespreekt hij The Age of Wonder: How the Romantic Generation Discovered the Beauty and Terror of Science van Richard Holmes.
Zo op het eerste gezicht lijkt het een brave samenvatting van de inhoud van het boek. The Age of Wonder is de periode van zestig jaar tussen 1770 en 1830. Holmes toont aan dat de Engelse wetenschappers en dichters in die tijd tot één enkele cultuur behoren. In veel gevallen waren zij persoonlijk met elkaar bevriend: “Veel dichters waren diepgaand geïnteresseerd in wetenschap, en veel wetenschappers in poëzie.”
Een paar dingen vallen op aan de recensie van Dyson. Op de eerste plaats weet hij het werk van Holmes niet te plaatsen in een breder Europees perspectief. Dat is jammer. Dan had hij namelijk kunnen opmerken dat de opvatting van Schenk (1) en Safranski (2) over de Romantiek als reactie tegen de Verlichting en tegen rationalisme en wetenschap, op zijn minst enige nuancering behoeft. Terloops had hij dan nog kunnen melden dat de wetenschappen en kunsten in de Verenigde Staten in die periode nog op zo’n pover niveau stonden dat de Romantiek – in enge zin – daar maar weinig indruk heeft gemaakt. (3)
Op de tweede plaats had Dyson kunnen verwijzen naar Goethe. Als Duitser en uitgesproken vertegenwoordiger van de Romantiek had Goethe een grote wetenschappelijke belangstelling. Hij leverde daar zelfs concrete bijdragen aan: “Op 1 juni 1791 schrijft (Goethe) aan Jacobi over zijn studie van de optica en de kleurenleer: ‘Ondertussen hecht ik me iedere dag meer aan deze wetenschappen, en ik heb sterk het gevoel dat ik me in het vervolg misschien uitsluitend daarmee zal bezighouden.’ Maar zo ver ging hij toch niet. Van kunst en literatuur zou hij geen afscheid nemen, zij vormden voor hem naast de natuurbeschouwing het tweede bolwerk tegen de opgewonden tijdgeest.” (4)
The Age of Wonder gaat over wetenschappers en wetenschap, niet over poëzie. Toch komt Dyson tot de volgende conclusie: “De wetenschappelijke ontdekkingen waren even onverwacht en opwindend als de poëzie.” Om dan aan het slot, en dit is mijn derde kritische kanttekening, wel een heel bijzondere draai aan zijn boekbespreking te geven. Hij suggereert dat de eerste helft van de huidige, 21e, eeuw is te vergelijken met ‘The Age of Wonder’: “Als de dominante wetenschap in deze nieuwe Age of Wonder biologie is, dan zou de dominante kunstvorm het ontwerp van genomen moeten zijn waarmee nieuwe variëteiten van planten en dieren worden gemaakt. (…) Als deze droom uitkomt, en die nieuwe kunstvorm triomfeert, dan zal een nieuwe generatie kunstenaars, even gemakkelijk met genomen ‘schrijven’ als Blake en Byron gedichten schreven, en een overvloed aan nieuwe bloemen en fruit en bomen en vogels scheppen die de ecologie van onze planeet zullen verrijken. (…) De nieuwe Age of Wonder zal rijke ondernemers (…), wetenschappers (…) en een wereldwijde gemeenschap van tuiniers en boeren en kwekers samenbrengen zodat onze planneet mooi en vruchtbaar en leefbaar is, zowel voor kolibries als voor mensen.” (5)
Geen poëzie zal dan nog uitdrukking kunnen geven aan onze beleving van deze schoonheid. Genetische manipulatie waarvan het resultaat als kunst ons leven verrijkt! Onverwacht en opwindend? (6)

(1) Schenk, H.G. (1966). De geest van de romantiek. Bilthoven: Amboboeken.
(2) Safranski, R. (2009). Romantiek. Een Duitse affaire. Amsterdam: Atlas.
(3) Hughes, R. (1997). Amerika’s visioenen. Het epos van de Amerikaanse kunst. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
(4) Safranski (2009): p. 39.
(5) Toegegeven, in het Engels klinkt ‘hummingbirds and humans’ beter dan het Nederlandse ‘kolibries en mensen’. Zie voor de betekenis van genoom: wikipedia
(6) Zie voor een kritische beschouwing van genetische manipulatie mijn blogs: genetisch gemanipuleerde gewassen 1, 2 en 3.